Vraag & antwoord

Er zijn weinig artiesten en bands die in staat zijn om hun eigen muziek te produceren. Een goede producer houdt een bepaalde afstand en heeft geen last van de, soms onwenselijke, verkleving die een muzikant kan hebben met bepaalde arrangementen of sounds. Hij is objectief en muzikaal ‘onpartijdig’ en dat kan een muzikant enorm helpen. Daarnaast is het voor veel mensen ook prettig als er iemand is die ze coacht en waar nodig, stuurt. Goed producerschap gaat over het versterken van datgene dat goed, waarachtig en uniek is aan een groep of individu. Als je de muzikale boodschap niet goed ‘leest’ ben je als producer nergens meer. Je moet dat wat er al is versterken, en er niet iets totaal anders van willen maken. Die dynamiek tussen producer en muzikant kan enorm waardevol zijn.


Het belangrijkste verschil is dat je wordt begeleid door een producer die inhoudelijk met je mee denkt over de productie. Zeker de senior producers bij Volver hebben jarenlange ervaring en zijn muzikaal onderlegd en geschoold. Er is een groot verschil tussen iemand die inhoudelijke feedback kan geven en het beste uit je kan halen en iemand die bij wijze van spreken alleen op record drukt. Daarnaast is Volver Studio een hele fijne studio om in te werken wat betreft apparatuur en ruimte.


Nee. Ik heb gemerkt dat als ik blanco een sessie in stap, het resultaat beter is. Het maakt me open voor de muziek die er op dat moment klinkt. Ik ben erg bang voor demoïtus. Als ik te veel naar een demo luister, ga ik me ongewenst hechten aan bepaalde passages. Op die manier verlies ik mijn onbevangenheid.


Ja, meestal wel. Ik heb een radar voor vorm en zeggingskracht. Bijna altijd is er nog iets nodig in het arrangement. Het tempo is nog niet helemaal goed, of bepaalde passages duren te lang, of te kort. Soms heeft een song bijvoorbeeld na 2 minuten een lift nodig. Die moet er dan ook komen. Het is een spannend proces wat ik zo goed mogelijk in samenspraak doe met de artiest. Dat zoeken is erg leuk.


Natuurlijk. De tekst is heel belangrijk. Soms zitten er passages in die een andere lading hebben dan waar de song op dat moment is. Dat vraagt om tuning. Ik werk altijd in de geest van de schrijver(s) en probeer dat wat sterk is aan een tekst uit te vergroten. Alles moet kloppen.


Ja. Ik heb een team van favoriete spelers. Allemaal zijn ze sterk in een bepaald genre en op een bepaald gebied. Toch heeft het werken met studiomuzikanten ook beperkingen. Studiomuzikanten die alles spelen kunnen namelijk ook erg saai zijn. Ik vind het leuk om met bands te werken die qua spel beperkt zijn. Vaak zie je dat die beperking juist hun kracht is. Omdat ze niet alles kunnen spelen, is de manier waarop ze het dan doen, uniek. Dat unieke is interessant.


Ik vind het belangrijk om letterlijk en figuurlijk ruimte te maken voor een artiest. Alles wat op dat moment nodig is voor een optimale prestatie is legitiem. Mijn focus is 100% op de ander. Intuïtief probeer ik te geven wat nodig is. Het effect van het aansteken van een kaars, gemberthee, of iemand bedanken na een take is enorm. Maar soms moet ik ook de boeman zijn en iemand op zijn nummer zetten. Ik vind dat wat een liedje nodig heeft het belangrijkst. De song ‘dicteert’ waar het heen moet. Het resultaat is het belangrijkst, ook als me dat soms impopulair maakt. Als ik weet dat iemand beter kan presteren dan hij of zij doet, dan trek ik aan de bel.


Uhm… ja en nee. Dat wil zeggen: als je aan mij vraagt welke song van een album de single zou moeten zijn, dan kies ik gegarandeerd de verkeerde. Ik kan wel voelen of iemand iets bijzonders heeft. Ik werkte bijvoorbeeld al jaren geleden met Laura Jansen, Bertolf en Sanne (Miss Montreal), en niet te vergeten Judith Jobse. Ik vind het ook niet zo relevant. Ik bedoel talent. Als ik kijk naar mijzelf, collega’s en artiesten. Allemaal hebben ze vooral door heel hard te werken en kilo’s doorzettingsvermogen een positie weten te bemachtigen. Talent is een aandeel in het verhaal en het harde werken blijft.


Ik vertel mijn leerlingen altijd dat de studiowereld is verdeeld in drie segmenten. Het topsegment, waar er slechts enkele van zijn in Nederland, biedt vaak een heleboel faciliteiten die niet of nauwelijks noodzakelijk zijn voor een goede productie. Het middensegment, waar Volver Studio toe behoort, heeft dan ook vaak een betere prijs-kwaliteit verhouding . Het laagste segment is heel breed. In dat veld werken heel veel studio’s en eenlingen met een computer.


Dat hangt af van wat ik wil horen. Ik wil zoveel mogelijk een bepaalde sound zien te vangen tijdens de opname. Het geeft me inzicht in wat de productie nodig heeft en het scheelt veel tijd tijdens de mix. Hoe ik die sound krijg is niet zo belangrijk. Compressie en equalizing kan daarbij helpen maar microfoonplaatsing of andere beslissingen zijn daarin net zo belangrijk.


Dat weet ik niet. Slechte microfoons bestaan niet, sommige microfoons kun je vaker inzetten dan anderen, dat wel. Ik gebruik veel ribbon microfoons. Ze klinken rustig en warm en zijn nog alle kanten op te sturen tijdens de mix. Ik ben dol op de microfoons die gemaakt worden door het Amerikaanse Josephson. Vre-se-lijk duur maar ook erg mooi. Ik zoek het niet zo in de geijkte merken, al heb ik wel een Shure SM 57 hoor maar hier is bijvoorbeeld niet één Neumann microfoon. Om uiteenlopende redenen vallen die mij meestal tegen.


Soms wel, maar hoogbejaarde audioapparatuur is vaak onbetrouwbaar en je betaald er ook nog eens erg veel geld voor. Er hangt vaak een waas van nostalgie omheen die er helaas niet voor zorgt dat het ook goed klinkt. Natuurlijk heb ik wel wat vintage apparatuur maar dat zijn dan alleen die apparaten die uit productie gegaan zijn. Bijvoorbeeld mijn 16 sporen Studer 2″ tapemachine uit 1974. Bandrecorders worden niet meer gemaakt, dus als ik tape wil horen, dan zal ik toch echt zo’n machine moeten kopen. Ik gebruik veel tape, vooral voor drums en bas kan het in sommige producties precies die sound geven die ik zoek. Ook werk ik veel met mijn Space Echo’s en springreverbs. Ook allemaal ‘zwaar’ vintage. Een compressor uit 19blok zie ik mijzelf niet snel kopen. Daar zijn genoeg goed klinkende moderne modellen van gemaakt. Modellen die wellicht al wel heel lang bestaan, zoals de Distressor bijvoorbeeld van Empirical Labs.


Ik ben erg gek op de apparatuur van Tube Tech. Sommige van hun compressors zijn erg mooi. Zeker de Pultec Eq, die is fantastisch. Verder ben ik erg onder de indruk geraakt van Gyraff audio. Een klein bedrijf dat erg mooie apparatuur maakt. Rupert Neve designs, de portico reeks, is ook erg goed. Verder is het vooral Cranesong wat je hier tegen komt. De Spider, Egret en Avocet en Flacon zijn erg mooie apparaten. Natuurlijk is er ook veel SSL in de studio, de mengtafels en de X-rack. Ook hun buscompressor is erg mooi. Daar heb ik er twee van.


Nee, een traditionele mengtafel is er niet. Wel 48 kanalen analoge summing van zeer hoog niveau (SSL/Cranesong). Ik ben met dit werk begonnen toen de eerste DAW’s kwamen. Geld voor een traditionele mixer was er toen niet en bovendien was ik in no-time handig met alle bewerkingen die je in een computer kan doen. Later ben ik het belang van analoog gaan inzien en ben mij hier toen ook volledig op gaan storten. Ik heb een analoge mengtafel wel overwogen maar vind het ook een beperking. Je zit immers met een mengtafel vast aan een bepaalde sound. Ik vind het spannender om met door mij nauwkeurig uitgezochte randapparatuur te werken. Ik weet precies wat elk apparaat doet en kan er op allerlei manieren mee kleuren. Een mengtafel is één sound, dat is een nadeel. Daarnaast zijn goede mengtafels enorm duur. Natuurlijk kijk ik wel eens met een half oog naar al die mooie retro mengtafels uit 19blok. Dat heeft veel sfeer en nostalgie maar is vaak niet betrouwbaar omdat het allemaal zo oud is. Als je zoiets koopt, zou je er bij wijze van spreken ook een soldeerbout bij moeten kopen omdat zo’n stuk geschiedenis elk moment uit elkaar kan vallen. Als je elke dag met je apparatuur moet werken is betrouwbaarheid een van de belangrijkste dingen.


Dat hangt af van de productie. Ik start bijna altijd in het analoge domein met een mix. De sound van analoog is te gek maar de ‘bewegingen’ die je in het analoge domein maakt zijn vrij grof. Bewerkingen in het digitale domein zijn vaak subtieler. Sommige producties vragen daar om. Met de 32 kanalen SSL en de fantastische Cranesong Egret is de summing overigens wel altijd analoog.


Ik vind analoge tape erg mooi, zeker voor drums en bas. Soms neem ik direct op, op tape, maar vaker gebruik ik mijn 16 sporen Studer als insert tijdens de mix. Wat je krijgt van een band is de tape-compressie en natuurlijk wat ruis. Ruis, mits met mate aanwezig, kan prettig klinken.


Ik gebruik zelden A-B-opstellingen. Het stereobeeld is vaak te breed en het is fase-gevoelig. Uitzondering is de opname van vleugel. In de meeste gevallen werkt een A-B opstelling dan het beste, al is dat ook afhankelijk van de functie die de vleugel in het geheel heeft. De laatste tijd gebruik ik vaak de zogenaamde MS-techniek en sinds ik mijn Coles 4038 ribbonmicrofoons heb, behoort Blumlein ook tot een van mijn favorieten. Als drum-overhead blijf ik altijd uit de buurt van de cymbals en werk ik vaak met de zogenaamde Recorderman techniek. Daarbij is één microfoon boven de snare geplaatst, de andere ‘kijkt’ over de schouder van de drummer naar de snare. Het is belangrijk dat de afstand van beide microfoons ten opzichten van de snare en kick gelijk is, anders veroorzaak je een uitfase signaal. Een ruimtelijke en stabiel klinkende opstelling, echt een aanrader.


Ja. Ik zoek bijna altijd naar diepte in het signaal. Een goede manier om dit te krijgen is door gebruik te maken van rooms. Zeker voor gitaren. De laatste tijd ben ik aan het experimenteren met rooms voor vocals.


Nee. Ik vind het fijn om een second opinion te hebben van een mastering-engineer. Bovendien is het een erg specialistisch en iets te technisch proces. Ik heb een netwerk van mastering-engineers waar ik uit kan kiezen. Het is soms moeilijk om een engineer te laten snappen wat ik verlang van de mastering. Soms moet een plaat dan ook 2 of 3 keer terug gestuurd worden voordat ik tevreden ben. Gelukkig hebben de meeste masteraars veel geduld en zijn ze, net als ik, gek op hun werk.